Ik heb een grote familie.
I have a big family.
Sentences
Practice useful Family sentences.
Learn
Checking recorded audio…
Ik heb een grote familie.
I have a big family.
Ik heb twee broers en één zus.
I have two brothers and one sister.
Ik ben enig kind.
I am an only child.
Ik woon bij mijn ouders.
I live with my parents.
Ik woon samen met mijn partner.
I live with my partner.
Ik ben getrouwd.
I am married.
Ik ben vrijgezel.
I am single.
Ik heb twee kinderen.
I have two children.
Mijn broer is ouder dan ik.
My brother is older than me.
Mijn zus is jonger dan ik.
My sister is younger than me.
Heb je broers of zussen?
Do you have any siblings?
Hoeveel kinderen heb je?
How many children do you have?
Mijn ouders wonen in een andere stad.
My parents live in another city.
Ik bezoek mijn grootouders elk weekend.
I visit my grandparents every weekend.
Familie is erg belangrijk voor mij.
Family is very important to me.